FCI Standaard nr.46

Fabeltjes

Zwitserland

Drijf-, hoeder, waak-, huis- en erfhond. Tegenwoordig ook een veelzijdige werk- en gezinshond.

Groep 2 Pinschers, Schnauzers, Molossers en Sennenhonden.                   

Sectie 3 Zwitserse Sennenhonden.

Zonder werkproef.

Driekleurige, middelgrote, bijna vierkant gebouwde hond, harmonisch geproportioneerd, gespierd, zeer beweeglijk en lenig, met een pientere gezichtsuitdrukking.

  • Schofthoogte : Romplengte = 9:10, eerder gedrongen dan lang.
  • Snuitlengte : Lengte van de bovenschedel = 4:5.

Levendig, temperamentvol, zelfverzekerd en onbevreesd. Enigszins wantrouwend tegenover vreemden, onomkoopbare waker, opgewekt en leergierig.

 

Formaat in harmonie met de grootte van het lichaam, enigszins wigvormig

 

Schedel: Vrij vlak, het breedst tussen de oren, naar de snuit toe gelijkmatig toelopend. Nauwelijks ontwikkelde jachtknobbel. Voorhoofdsgroeve matig ontwikkeld.

Stop: Weinig uitgesproken.

Neus: Bij een zwarte hond: zwart en bij een havannabruine hond; bruin (zo donker mogelijk).

Snuit: Middelmatig krachtig, gelijkmatig toelopend, maar niet spits, met krachtige onderkaak. Rechte neusrug.

Lippen: Droog en aanliggend, met zwart pigment bij een zwarte hond en bruin pigment (zo donker mogelijk) bij een havannabruine hond. Mondhoeken niet zichtbaar.

Kaken/tanden: Krachtig, volledig en regelmatig schaargebit; tanggebit wordt getolereerd. Eén (1) ontbrekende of één dubbele PM1 (Premolaren 1) en het ontbreken van de M3 (Molaren 3) worden getolereerd.

Wangen: Zeer weinig ontwikkeld.

Vrij klein, amandelvormig, niet uitpuilend, iets schuin geplaatst ten opzichte van de neus. Levendige uitdrukking.

Kleur:

  • bij een zwarte hond: donkerbruin of bruin.

  • bij een havannabruine hond: lichter bruin maar zo donker mogelijk.

Oogleden: Goed aansluitend, bij een zwarte hond zwart, bij een havannabruine hond bruin (zo donker mogelijk) gepigmenteerd.

Tamelijk hoog en breed aangezet, hangend, in rust vlak en tegen het hoofd aanliggend gedragen, driehoekig en aan de punt licht afgerond. Bij opmerkzaamheid wordt de ooraanzet opgetrokken en naar voren gedraaid zo dat het hoofd samen met de oren, van voren en van bovenaf gezien een opvallende driehoek vormt.

Het liefst kort, krachtig, droog

Club

Krachtig en compact.

Rug: Matig lang, vast en recht.

Lendenen: Kort en goed bespierd.

Kruis: Relatief kort, vlak doorlopend in het verlengde van de rug.

Borst: Breed, diep, tot aan de ellebogen reikend, met een duidelijke voorborst. Het borstbeen voldoende ver naar achteren reikend. De ribbenkast heeft een rond-ovale dwarsdoorsnede.

Onderbelijning en buik: Slechts weinig opgetrokken.

Hoog aangezet, krachtig, van gemiddelde lengte, dicht behaard, de haren aan de onderzijde iets langer. In de beweging wordt de staart strak boven het kruis opgerold en zijwaarts of in het midden gedragen. In stand wordt de staartdracht hangend in meerdere vormen getolereerd.

Krachtig en droog bot.

Algemeen: Goed bespierd, stand van voren gezien recht en evenwijdig, niet te nauw.

Schouder: Schouderblad lang en schuin liggend.

Bovenarm: Even lang of slechts iets korter dan het schouderblad. De hoek met het schouderblad is niet te stomp.

Ellebogen: Goed aanliggend.

Onderarm: Recht en droog.

Voormiddenvoet: Van voren gezien een rechtlijnige verlenging van de onderarm, van opzij gezien heel licht gehoekt.

Voorvoet: Kort, met gewelfde en dicht aan elkaar gelegen tenen en krachtige voetzolen.

Algemeen: Goed bespierd. In stand van achteren gezien recht en evenwijdig, niet te nauw. De rastypische hoekingen zorgen voor een relatief “steile” achterhand.

Bovenbeen: Vrij lang, vormt een relatief kleine hoek met het heupbeen (coxo-femoral gewricht).

Kniegewricht: Tamelijk open.

Onderbeen: Ongeveer even lang of slechts iets korter dan het bovenbeen. Droog en goed bespierd.
Spronggewricht: Tamelijk hoog aangezet.

Achtermiddenvoet: Loodrecht en evenwijdig geplaatst, iets langer dan de voormiddenvoet, niet naar binnen of naar buiten gedraaid. De wolfsklauwen moeten verwijderd zijn, met uitzondering van de landen waarin deze verwijdering bij wet is verboden.

Achtervoet: Kort, met gewelfde en dicht aan elkaar gelegen tenen en krachtige voetzolen.

Krachtige stuwing, ruim uitgrijpend. In draf van voren en van achteren gezien een rechtlijnige beweging van de ledematen.

Haar: Stokhaar, stevig en aanliggend. Het dekhaar is dicht en glanzend. De ondervacht is dicht, zwart, bruin of grijs; door de bovenbeharing heen schijnende ondervacht is niet gewenst. Licht golvend haar wordt alleen op de schoft en de rug getolereerd, maar is niet gewenst.

Kleur: Zwarte of havannabruine grondkleur met zo symmetrisch mogelijke bruinrode en witte aftekeningen. Kleine bruinrode aftekeningen (vlekken) boven de ogen. Bruinrode aftekeningen op de wangen, op de borst (links en rechts in de buurt van het schouder-bovenarmgewricht) en op de benen, waarbij het bruinrood altijd tussen het zwart, respectievelijk het havannabruin en het wit moet liggen.

Witte aftekeningen:

  • Goed zichtbare witte bles die ononderbroken van de bovenschedel over de neusrug loopt en die de snuit volledig of gedeeltelijk kan omvatten.
  • Een ononderbroken witte aftekening lopend van de kin over de keel tot over de borst.
  • Wit aan alle vier de voeten.
  • Wit aan de staartpunt.
  • Een witte nekvlek of halve halsring wordt getolereerd.
  • Een doorlopende dunne witte halsring wordt wel getolereerd maar is niet gewenst.
  •  

Schofthoogte reuen       : 52-56 cm          tolerantie 50-58 cm

Schofthoogte teven       : 50-54 cm          tolerantie 48-56 cm

Elke afwijking van de hiervoor genoemde punten moet als een fout worden beschouwd. De beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate van de afwijking en het effect daarvan op de gezondheid en het welzijn van de hond.

  • Onvoldoende geslachtskenmerken.
  • Zeer lang of onharmonisch gebouwd.
  • Fijne of te grove botten.
  • Onvoldoende bespierd.
  • Zeer zwaar of zeer licht hoofd.
  • Ronde schedel.
  • Te sterk uitgesproken stop.
  • Te lange, te korte, dunne of spitse snuit. Neusrug niet recht.
  • Te sterk ontwikkelde lippen.
  • Ontbreken van meer dan één PM1 (Premolaar 1).
  • Te sterk ontwikkelde wangen.
  • Ronde, uitpuilende of te lichte ogen.
  • Te kleine, te grote, afstaande, te hoog of te laag aangezette oren.
  • Zadelrug, karperrug.
  • Afvallend of overbouwd kruis.
  • Opgetrokken buik.
  • Vlakke of te tonvormige borstkas, onvoldoende voorborst, een te kort borstbeen.
  • Los gerolde staart, de staartpunt moet minstens de staartaanzet raken.
  • Onvoldoende hoeking van de voorhand en/of achterhand.
  • Uitdraaiende ellebogen.
  • Slappe polsen.
  •  
  • Lange – ovale voeten (hazenvoeten), spreidtenen.
  • Incorrect gangwerk, bijv. te kort-steltend, bodemeng, te nauw, kruisend, etc.
  • Doorschijnen van de ondervacht.
  • Fouten in de aftekening:
    • Zwarte vlekjes in het wit.
    • Onderbroken bles.
    • Doorlopende, brede, witte halsring.
    • Onderbroken wit op de borst.
    • Duidelijk verder dan tot de polsen reikend wit (laars).
    • Ontbreken van wit aan de staartpunt en aan de voeten.
  • Groter of kleiner dan de betreffende tolerantiewaarden.
  • Onzeker gedrag, te weinig temperament, lichte agressiviteit.
  • Agressieve of overdreven angstige honden.
  • Honden die een duidelijke lichamelijke afwijking of een gedragsstoornis vertonen.
  • Ondervoorbijt, bovenvoorbijt, kruisgebit.
  • Entropion, ectropion.
  • Blauw oog, glas oog.
  • Sikkelstaart (staartpunt raakt de staartaanzet niet meer), een duidelijk hangende staart, knikstaart.
  • Ander haar dan stokhaar.
  • Ontbreken van één van de drie kleuren.
  • Een andere grondkleur dan zwart of havannabruin.
  • Reuen moeten over twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels beschikken, welke zich volledig in het scrotum bevinden.
  • Uitsluitend functioneel en klinisch gezonde, rastypische honden, mogen voor fokdoeleinden worden ingezet.

Bekijk ook

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.